Voorschools aanbod

Om te voorkomen dat kinderen met een achterstand naar het basisonderwijs gaan, zijn er verschillende initiatieven gestart op het gebied van VVE om kinderen voor te bereiden op de eerste jaren op de basisschool. Het gaat hier om verschillende vormen van voorscholen, waar een leerkracht of andere HBO-geschoolde leidster al dan niet in samenwerking met een pedagogisch medewerker de groep draait. Deze voorscholen staan ook bekend als Startgroepen (een pilot van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap), nulgroepen (regio Rotterdam), het Peutercollege (de Verre Bergen, Rotterdam) en de groep 0-plus (gemeente Amsterdam).

Startgroepen

Een startgroep is een vorm van voorschoolse opvang waarbij peuters zich in een stimulerende omgeving spelenderwijs kunnen ontwikkelen. De startgroep bouwt daarbij voort op de ontwikkelingen van de afgelopen jaren. Zo maken de betrokken professionals in de startgroep gebruik van een programma van voorschoolse educatie. De (kwaliteits)eisen bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen blijven onverkort van toepassing. Er moet dus ook bijvoorbeeld voldaan worden aan de randvoorwaarden voor VVE uit het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Zo moet het programma niet alleen gaan over taal, maar ook over rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling. In de startgroepen worden bovenop de bestaande situatie de volgende punten toegevoegd:

→ De werelden van kinderopvang/peuterspeelzalen en de basisschool worden dichterbij elkaar gebracht door het tot stand brengen van een doorgaande lijn, waarover de schoolleider de inhoudelijke regie voert van startgroep tot en met groep 8.

→ In de huidige situatie staan over het algemeen twee beroepskrachten (niveau 3) op een groep. In deze pilots wordt, naast de beroepskracht voorschoolse educatie, een begeleider voorschoolse educatie toegevoegd die de bevoegdheid heeft om als leerkracht te functioneren (pabo-niveau). Op deze wijze wordt de expertise van deze twee sectoren bij elkaar gebracht.

→ Een derde punt is dat er meer uren per week voorschoolse educatie wordt aangeboden; minimaal vijf dagdelen van 2,5 uur per week (of 12,5 uur per week), in plaats van vier dagdelen of 10 uur per week.

→ Tijdens deze dagdelen wordt er gestructureerd en opbrengstgericht gewerkt. Ook de ouders zullen actief worden betrokken. Aan de pilots wordt onderzoek gekoppeld om de effecten van de startgroep in kaart te brengen.

Voor meer informatie over de Pilot Startgroepen: www.startgroepen.nl

Nulgroepen

In Rotterdam bestaan sinds enige tijd zogenaamde nulgroepen. Een nulgroep valt onder het voorschoolse aanbod en is gericht op het tegengaan van ontwikkelingsachterstanden bij kinderen. Het project groep nul draagt bij aan een beter fundament voor kleuters die instromen in het basisonderwijs. Groep nul heeft een aanbod van vijf dagdelen per week. De begeleiding in groep nul is in handen van een MBO- geschoolde medewerker en een HBO- geschoolde medewerker van de basisschool. De basisschool en de nulgroep werken intensief samen aan een doorgaande leerlijn. De continuïteit van de VVE–methode is hiermee gewaarborgd en de ondersteuning en zorg die op de basisschool geboden wordt, kan ook in groep nul worden geboden. Ouders worden actief betrokken bij het leer- en ontwikkelingsproces van hun peuter. Peuters leren spelenderwijs de taal, rekenen en sociale vaardigheden. Het programma sluit aan bij de ontwikkelingsmogelijkheden en -behoefte van uw kind en biedt hem of haar een passende uitdaging.

De groep nul onderscheidt zich van peuterspeelzalen en voorscholen op de volgende punten: onderscheidt zich van de voorschool en de peuterspeelzaal door:

→ De doorgaande leerlijn: een groep nul is een samenwerking tussen het peuterspeelzaalwerk en de basisschool en valt onder de verantwoordelijkheid van de basisschool. Op die manier wordt de doorgaande lijn naar de kleutergroep gegarandeerd;

→ Het actief betrekken van ouders: er is een actief ouderprogramma omdat gebleken is dat de bijdrage van ouders aan de ontwikkeling van jonge kinderen cruciaal is.

→ De tijdsduur per week: kinderen gaan 5 dagdelen per week naar groep nul (in plaats van 4, 3 of 2 dagdelen zoals bij de voorschool of de peuterspeelzaal het geval is);

→ De eisen die er aan leidsters/leerkrachten gesteld worden: er staan twee leidsters/leerkrachten voor de groep (waarvan er één mbo- en één hbo-geschoold is);

In juni 2013 zijn de resultaten van de kwalitatieve monitor groep nul uitgebracht, uit dit onderzoek blijkt dat er over het geheel een positief beeld is van de ontwikkeling van de nulgroepen. Er is echter ook sprake van onderlinge verschillen, sommige groepen nul zijn al enige tijd bezig en andere zijn pas geleden opgestart en nog zoekende naar de juiste modus. In het rapport zijn aanbevelingen opgenomen voor de verder ontwikkeling van de groep nul.

Voor  meer informatie over de Groep Nul in Rotterdam en het onderzoeksrapport ‘De handen op elkaar! Kwalitatieve monitoring van Groep Nul’: http://www.onderwijsbeleid010.nl/groep-nul

Peutercollege

In Rotterdam wordt, naast de nulgroepen, gewerkt aan een nieuwe variant op de voor- en vroegschoolse educatie: het Peutercollege. De directe doelstelling van het Peutercollege is het terugdringen van ontwikkelingsachterstand, vooral op het gebied van taalontwikkeling. Het gaat om Rotterdamse peuters (2-4-jarigen) die een intensief programma krijgen. Het Peutercollege vertoont overeenkomsten met kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en voorschoolse opvang. Het onderscheidt zich door een intensiever leerprogramma, een specifieke methode gericht op het ondersteunen van een doorlopende leerlijn, de inzet van relatief hoogopgeleid personeel en de sterke betrokkenheid van ouders bij het leertraject. Binnen het Peutercollege wordt gewerkt met een nieuwe methodiek waarbij de nadruk ligt op het spelend leren en ‘samen doen’, waarbij ervaringen en herhaling voorop staan. Hierbij is de betrokkenheid van ouders cruciaal. Deze betrokkenheid richt zich op twee factoren, namelijk ‘meeleven’ en ‘meehelpen’.

Het Peutercollege werkt met de volgende doelstellingen:

→ Het ontwikkelen van een onderwijsmethodiek en het bewijzen van de werking van deze methodiek.

→ Het creëren van een doorgaande leerlijn in aanloop naar de groepen 1 en 2 van het basisonderwijs.

→ Het vergroten van ouderbetrokkenheid.

→ Het ontwikkelen van een structurele positie die aansluit bij gemeentelijke programma’s en de uiteindelijke zelfredzaamheid van Het Peutercollege bewerkstelligt.

Het Verwey-Jonker Instituut doet onderzoek naar de ontwikkeling, uitvoering en impact van het Peutercollege in Rotterdam. Het onderzoek wordt in opdracht van en in samenwerking met Stichting Verre Bergen uitgevoerd.
Binnen dit bredere onderzoek is gestart met een literatuurverkenning, waarvan we hier verslag doen.

Het volledige literatuuronderzoek vindt u hier.

Groep 0 plus

In de gemeente Amsterdam wordt in het najaar van 2013 een pilot gestart met de zogenaamde groep 0 plus. Het doel van de groep 0 plus is om mogelijke taalachterstanden bij kinderen te voorkomen of te verminderen, zodat kinderen een goede basis hebben om aan de basisschool te beginnen. De basisvoorziening zal in ieder geval beschikbaar komen voor kinderen van 2,5 tot 4 jaar oud. Eén dagdeel (twee voor peuters zonder taalachterstand, vier met een taalachterstand) duurt drie uur. De peutergroepen worden ondergebracht in het schoolgebouw, de school is verantwoordelijk voor het aanbod. Zo wordt geprobeerd een doorgaande lijn van voorschool naar vroegschool te waarborgen.

Meer informatie over de pilot zal in de loop van het schooljaar bekend worden gemaakt.