Harmonisatie

Om onderwijs, kinderopvang, peuterspeelzalen en voor- en vroegschoolse educatie meer op elkaar af te stemmen, heeft het kabinet drie doelstellingen geformuleerd voor de verbetering van het huidige stelsel:

→ Versterking van de pedagogische kwaliteit.
→ Eén kwaliteitskader voor alle voorschoolse voorzieningen.
→ Eén financieringsstructuur voor werkende ouders.

Versterking pedagogische kwaliteit

Goede voorschoolse voorzieningen leveren een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van jonge kinderen. De kwaliteit in deze voorschoolse voorzieningen wordt grotendeels bepaald door de beroepskrachten die werkzaam zijn op de groep. Uit onderzoek blijkt dat sterke taal- en interactievaardigheden een positieve invloed hebben op kwaliteit van de voorziening en de ontwikkeling van de kinderen. Het kabinet investeert in het verbeteren hiervan door het verbeteren van de vakopleidingen en bijscholing van reeds werkzame pedagogisch medewerkers. Daarbij is er veel aandacht voor de versterking van de kwaliteit van VVE-voorzieningen, er zijn verschillende professionaliseringstrajecten uitgezet en er wordt geïnvesteerd in het verhogen van het taalniveau van de pedagogisch medewerkers.

Het kabinet is voornemens een structurele kwaliteitsverhoging te bewerkstelligen, voortbouwend op de investeringen die reeds gedaan zijn. In de uitwerking van dit voornemen is overleg geweest met verschillende partijen, waaronder BOinK, de MOgroep, de PO-raad, Brancheorganisatie Kinderopvang, VNG en GGD GHOR Nederland, dit heeft geleid tot een gezamenlijke visie waarbij meer aandacht voor de ontwikkeling van kinderen en een betere samenwerking tussen scholen en voorschoolse voorzieningen centraal staan. Hierbij zijn de volgende elementen van belang:

→ Ontwikkelingsgericht werken.
→ Structurele scholing van pedagogisch medewerkers.
→ Een betere mix van MBO-geschoolde en HBO-geschoolde pedagogisch medewerkers.
→ Een goede en gelijkwaardige samenwerking tussen basisscholen en voorschoolse voorzieningen.
→ Het structureel volgen van de ontwikkeling van kinderen.

Eén kwaliteitskader 

In augustus 2010 is de wet OKE in werking getreden, met deze wet is een grote stap gezet in de harmonisatie van de kwaliteitskaders voor kinderopvang en peuterspeelzaalwerk door ook voor het peuterspeelzaalwerk een landelijk kwaliteitskader in te voeren. Dit kwaliteitskader sluit voor een deel aan op het kwaliteitskader voor de kinderopvang maar er zijn nog een aantal belangrijke verschillen. Met een ministeriële regeling van juli 2014 worden een aantal van deze verschillen per 2015 opgeheven.

→ Beroepskracht-kindratio horizontale peutergroepen:  per januari 2015 geldt voor alle peutergroepen, ongeacht de voorziening, een beroepskracht-kindratio van 1 beroepskracht per 8 kinderen. De vier grootste gemeenten hebben in het feitenonderzoek naar het peuterspeelzaalwerk aangegeven bang te zijn dat de eis voor een hogere personele bezetting voor het peuterspeelzaalwerk zal leiden tot druk op de capaciteit en de wachtlijsten. Hier wordt aan tegemoet gekomen door de beroepskracht-kindratio zoals deze geldt voor het peuterspeelzaalwerk, vanaf 2015 ook te laten gelden voor andere voorzieningen met horizontale peutergroepen.

→ Vierogenprincipe: per 1 juli 2015 zal het vierogenprincipe ook gaan gelden voor peuterspeelzalen. Het vierogenprincipe houdt het volgende in: “De houder van een kindercentrum organiseert de dagopvang op zodanige wijze, dat de beroepskracht of de beroepskracht in opleiding de werkzaamheden uitsluitend kan verrichten terwijl hij gezien of gehoord kan worden door een andere volwassene.” Dit betekent niet dat er altijd 2 medewerkers op een groep moeten staan of dat er continu iemand meekijkt of meeluistert, maar dat op elk moment de reële kans bestaat dat er een volwassene meekijkt of meeluistert.  De invulling van het vierogenprincipe varieert van locatie tot locatie, er zijn dus geen concrete maatregelen die een organisatie moet treffen om te voldoen aan het principe. De kern van het principe is dat er op elk willekeurig moment een volwassene mee moet kunnen kijken of mee moet kunnen luisteren. Om dit te realiseren zijn verschillende oplossingen denkbaar.

→ Wijziging van het pedagogisch beleidsplan: per 1 juli 2015 moeten zowel kinderopvangorganisaties als peuterspeelzalen enkele wijzigingen doorvoeren in hun pedagogisch beleidsplan. Zo moet er onder andere aandacht besteed worden aan de wijze waarop beroepskrachten bijzonderheden of problemen in de ontwikkeling van de kinderen signaleren. Ook moet beschreven worden hoe de pedagogisch medewerkers ouders doorverwijzen naar passende instanties die ondersteuning kunnen bieden wanneer problemen gesignaleerd zijn. Daarbij moet ook aandacht besteed worden aan de manier waarop kinderen wennen in een nieuwe groep binnen de peuterspeelzaal of het kinderdagverblijf.

De overige verschillen tussen de bestaande kwaliteitskaders zullen worden opgeheven bij de totale herijking van de kwaliteitskaders in 2018, dit heeft tot gevolg dat er vanaf 2018 één nieuw kwaliteitskader zal gelden voor zowel het peuterspeelzaalwerk als de kinderopvang.

Eén financieringsstructuur voor werkende ouders

Op dit moment vindt nog overleg plaats om nader te bepalen hoe de betreffende financieringsstructuur er uit zal komen te zien. De financieringsstructuur voor werkende ouders wordt eenvoudiger. Nu is het zo dat ouders voor opvang in een kinderdagverblijf toeslag kunnen aanvragen bij het Rijk. Voor peuterspeelzaalwerk kunnen ze terecht bij de gemeente, waar het in sommige gevallen gratis is. In de toekomst krijgen ouders recht op toeslag voor de voorschoolse opvang van hun keuze: kinderopvang of peuterspeelzaal. Hiervoor is het Rijk verantwoordelijk. Voor niet-werkende ouders en voor opvang van kinderen met een taalachterstand blijft de gemeente verantwoordelijk.