Wet OKE

De wet OKE (Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie) wijzigt drie wetten. Ten eerste, wordt in de Wet Kinderopvang een kwaliteitskader voor peuterspeelzalen opgenomen evenals het toezicht van de gemeente daarop met de bijbehorende handhaving mogelijkheden. Verder worden in deze wet kwaliteitseisen voor voorschoolse educatie opgenomen. Ten tweede, wordt in de Wet op het onderwijstoezicht geregeld dat de Inspectie van het Onderwijs toezicht houdt op de kwaliteit van voorschoolse educatie. Ten derde, wordt in de Wet op het Primair Onderwijs de regierol van gemeenten ten aanzien van het onderwijsachterstandenbeleid verstevigd en wordt de verantwoordelijk voor het aanbod en de toegankelijkheid van voorschoolse educatie neergelegd.

Aanpassing definities begrippen ‘kinderopvang’ en ‘peuterspeelzaalwerk’

Als eerste maatregel in de harmonisatie worden in de Wet Kinderopvang de definities van het peuterspeelzaalwerk en kinderopvang aangepast in de termen verzorgen, opvoeden en bijdragen aan ontwikkeling. De definitie van kinderopvang wordt: ‘het bedrijfsmatig en anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint’ (artikel 1.1, lid b). De definitie van peuterspeelzaalwerk wordt: ‘de verzorging, opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen uitsluitend bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van twee jaar tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen deelnemen aan het basisonderwijs’ (artikel 2.1, lid b).

De volledige wettekst van de Wet OKE vindt u hier.

Het verslag van de kamerbehandeling op 12 januari 2010 vindt u hier.

Het verslag van de stemming in de Tweede Kamer op 19 januari 2010 vindt u hier.

Harmonisatie

In 2012 is ongeveer 10% van het traditionele peuterspeelzaalwerk in Nederland omgevormd tot peuteropvang. Het gaat dan om ca. 12.000 peuters en ca. 7.500 peuterspeelzaalplaatsen in Nederland.
Door deze trend zijn er steeds minder reguliere peuterspeelzalen. De peuterspeelzalen die overblijven zijn de peuteropvang en de VVE-speelzalen  (peuterspeelzalen met een VVE aanbod op ambitieniveau 2) die voor een groot deel door gemeenten in stand worden gehouden met behulp van VVE-middelen van het Rijk. Het grootste deel van de doelgroepkinderen maakt gebruikt van een VVE-speelzaal of de peuteropvang. Op de reguliere peuterspeelzalen met 1 beroepskracht per groep wordt door veel gemeenten gekort waardoor deze steeds vaker moeten sluiten. Samenvattend: het reguliere peuterwerk verdwijnt enerzijds door omvorming naar peuteropvang (zalen op ambitieniveau 2) en gemeentelijke bezuinigingen (zalen op ambitieniveau 1).

In het kader van de wet OKE en de harmonisatie, maar ook als gevolg van de economische crisis wordt in veel gemeenten beleid ingezet om het peuterspeelzaalwerk om te zetten naar peuteropvang (peutergroepen binnen de reguliere kinderopvang). Ouders die gebruik maken van de peuteropvang kunnen gebruik maken van de kinderopvangtoeslag (mits voldaan aan de eisen die daaraan zijn gesteld) om zo een tegemoetkoming te krijgen in de kosten van deze opvang. Bij het overgaan van peuterspeelzaalwerk naar peuteropvang wordt vaak gekozen voor het hanteren van langere dagdelen.

Meer informatie over de harmonisatie vindt u onder Nieuws.

Kwaliteitseisen peuterspeelzalen

Het voorstel is om de globale kwaliteitseisen die de Wet Kinderopvang noemt voor de kinderdagverblijven grotendeels over te nemen voor de peuterspeelzalen. Hiermee ontstaat een landelijk kwaliteitskader. De kwaliteitseisen worden uitgewerkt in beleidsregels voor peuterspeelzalen. De beleidsregels komen tot stand op basis van een convenant van de belangenorganisaties voor peuterspeelzaalwerk, kinderopvang en ouders. De harmonisatie leidt ertoe dat de houders van een peuterspeelzaal de zorgplicht krijgen voor verantwoord peuterspeelzaalwerk. Hieronder wordt verstaan peuterspeelzaalwerk dat bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. Houders van peuterspeelzaalwerk zijn dus zelf verantwoordelijk voor de eigen kwaliteit van het aanbod, bij de gemeente is financiële ondersteuning beschikbaar, gemeenten zijn verantwoordelijk voor het peuterspeelzaalwerk. Hierbij gelden de volgende globale kwaliteitseisen:

Verantwoorde opvang wordt getoetst aan de inzet van personeel zowel kwalitatief als kwantitatief (opleidingseisen en groepsgrootte), de verantwoordelijkheidstoedeling (beroepskracht-kindratio) en het pedagogisch beleid.

De brancheorganisaties werken de globale kwaliteitseisen uit in een convenant. De staatssecretaris heeft gevraagd in elk geval de volgende eisen op te nemen:

→ De beroepskracht-kindratio voor peuterspeelzalen is één beroepskracht op maximaal acht kinderen.

→ Op iedere peuterspeelzaalgroep moet tenminste één beroepskracht zijn met opleidingsniveau SPW3 (of equivalent conform CAO welzijn). Dat maakt een eind aan de situatie van groepen met twee vrijwilligers.

→ De groepsgrootte is maximaal 16 kinderen per groep.

Naast de globale kwaliteitseisen zijn in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen de volgende eisen opgenomen:

→ Het personeel is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag.

→ Een schriftelijke risico-inventarisatie van de opvang van kinderen.

→ Mogelijkheid van de minister tot het stellen van regels over administratie, om zo nodig, monitoren mogelijk te maken.

→ Informatieplicht aan ouders over beleid.

→ Voorschriften over de voertaal.

→ Instellen van een vorm van oudervertegenwoordiging, inclusief klachtenregeling voor niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen. Peuterspeelzalen die worden gesubsidieerd vallen onder de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen.

In het landelijk kwaliteitskader worden geen eisen voor ruimte en inrichting voor peuterspeelzalen opgenomen. Dit blijft gemeentelijk beleid.

Uitwerking kwaliteitseisen peuterspeelzalen

Belangenorganisaties voor peuterspeelzaalwerk, kinderopvang en ouders hebben aangegeven het wenselijk te vinden om met elkaar tot een convenant over kwaliteitseisen van peuterspeelzalen te komen. Per 1 augustus 2010 is het convenant ‘Verantwoord peuterspeelzaalwerk: een eerste stap naar de toekomst‘ beschikbaar. Het convenant is vastgelegd in beleidsregels, deze beleidsregels zijn in 2012 omgezet naar een ministeriële regeling en een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). De VNG heeft het convenant overgenomen in een modelverordening: op die manier hebben de gemeenten een helder overzicht van de geldende kwaliteitsregels. In de modelverordening worden ook de aanvullende eisen voor ruimte en inrichting opgenomen. Tussen convenant en modelverordening zal (met uitzondering van de inrichtingseisen) geen verschil zitten.

Klik hier voor de ministeriële regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen.

Klik hier voor de Algemene Maatregel van Bestuur met betrekking tot de kwaliteit van kinderopvang en peuterspeelzalen.

Kwaliteitseisen Voorschoolse Educatie voor peuterspeelzalen en kinderopvang

Aan peuterspeelzalen en kinderdagverblijven die voorschoolse educatie aanbieden, worden vanaf 1 augustus 2010 extra kwaliteitseisen gesteld. Deze kwaliteitseisen staan beschreven in het ‘Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie’. De volgende kwaliteitseisen staan in het besluit beschreven:

→ Voorschoolse educatie wordt ten minste vier dagdelen of 10 uur per week gegeven op een peuterspeelzaal of een kinderdagverblijf.

→ Op een groep waaraan voorschoolse educatie wordt aangeboden staat minimaal één beroepskracht per 8 kinderen. In groepen van 9 tot maximaal 16 kinderen staan twee beroepskrachten.

→ De beroepskrachten hebben ten minste een opleiding gevolgd op PW3 niveau. Onderdeel van deze beroepsopleiding, vormt ten minste één module over het verzorgen van voorschoolse educatie. Als de beroepskracht niet deze module heeft gevolgd, bezit deze een bewijs dat specifieke scholing is afgerond over voorschoolse educatie.

→ De houder van een kindercentrum of peuterspeelzaal waar voorschoolse educatie wordt aangeboden, stelt jaarlijks een opleidingsplan op waarin staat beschreven hoe de kennis en vaardigheden in voorschoolse educatie van beroepskrachten worden onderhouden.

→ Voor de voorschoolse educatie wordt een breed programma gebruikt dat zich richt op taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling.

Voor- en vroegschoolse educatie (VVE)

Rol Gemeenten

Gemeenten hebben een regierol bij het verzorgen van een goed voorschools aanbod voor alle jonge kinderen met een (taal)achterstand. Om dit aanbod te realiseren en om al deze kinderen te bereiken, maken gemeenten afspraken met peuterspeelzalen en kinderdagverblijven.

Overgang

De wet OKE en de kwaliteitseisen voor voorschoolse educatie treden in werking op 1 augustus 2010. Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht zullen vanaf die datum aan alle kwaliteitseisen voor voorschoolse educatie moeten voldoen. Andere gemeenten krijgen een jaar uitstel voor de opleidingseisen voor het personeel. Kleine gemeenten of gemeenten met weinig doelgroepkinderen krijgen bovendien een jaar uitstel voor het bieden van minimaal 4 dagdelen of 10 uur voorschoolse educatie. Alle gemeenten moeten per 1 augustus 2010 wel twee beroepskrachten op een groep van 16 kinderen hebben en gebruik maken van brede programma’s voor voorschoolse educatie.