Wet OKE

Evaluatie wet OKE
Op 26 juni 2015 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Sander Dekker, een brief naar de Tweede Kamer gestuurd over de evaluatie van de wet OKE. Uit deze brief blijkt dat peuters met een (risico op) taalachterstand steeds beter worden geïdentificeerd en dat de kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie gestaag verbeterd. Echter, het blijkt ook dat er nog grote verschillen zijn tussen gemeenten en dat er op een aantal punten, zowel op gemeentelijk niveau als op locatieniveau, ruimte is voor verbetering.

In 2010 is de wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (OKE) ingevoerd, deze wet heeft tot doel de taalontwikkeling van jonge kinderen te stimuleren en de kwaliteit van peuterspeelzalen te verbeteren. In 2015 is de wet OKE geëvalueerd. De evaluatie van de wet OKE is gericht op drie belangrijke uitgangspunten, namelijk:

→ harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk

→ de verplichting van gemeenten om een kwalitatief goed voorschools aanbod te doen aan alle kinderen met een risico op een taalachterstand in een gemeenten,

→ organisatie van toezicht op peuterspeelzalen en voor- en vroegschoolse educatie.

Harmonisatie
Met de wet OKE is een grote stap gezet in de harmonisatie van kinderopvang en peuterspeelzaalwerk, door ook voor het peuterspeelzaalwerk een landelijk kwaliteitskader te introduceren. Een groot deel van de kwaliteitsregels voor kinderopvang is ook van toepassing geworden op het peuterspeelzaalwerk. Daarnaast zijn peuterspeelzalen opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen, daarbij is er inmiddels toezicht op de kwaliteit van de peuterspeelzalen.

Uit literatuuronderzoek blijkt dat peuterspeelzalen en kinderopvang meer naar elkaar zijn toegegroeid, onder meer door de inzet van professionele beroepskrachten. De kwaliteit van het peuterspeelzaalwerk is op hoofdlijnen goed te noemen, met name op het gebied van ondersteuning van de emotionele ontwikkeling van kinderen. Zowel bij peuterspeelzalen als bij dagopvang is er echter nog ruimte voor verbetering van de educatieve kwaliteit.

Het kabinet heeft met de brief ‘Een betere basis voor peuters’ de plannen aangekondigd voor een vervolg op de wet OKE. Voor de verdere harmonisatie zijn drie doelstellingen geformuleerd:

→ de versterking van de pedagogische kwaliteit

→ één kwaliteitskader voor alle voorschoolse voorzieningen

→ één financieringsstructuur voor werkende ouders

Inmiddels is wet- en regelgeving van kracht geworden waarin een deel van de resterende verschillen tussen de kwaliteitseisen aan kinderopvang en peuterspeelzaalwerk wordt weggenomen. Het gaat hierbij om de beroepskracht-kindratio, het vierogenprincipe en de eisen aan het pedagogisch beleidsplan. Zoals eerder aangekondigd, vindt de volledige gelijkschakeling in kwaliteitseisen plaats in 2018.

Uitvoering wettelijke VVE-taken door gemeenten
Met de invoering van de wet OKE zijn gemeenten verantwoordelijk geworden voor een VVE-aanbod van hoge kwaliteit. Om te zorgen dat een kind met een risico op een taalachterstand het aanbod krijgt dat het nodig heeft, moet een aantal stappen worden doorlopen. Gemeenten zijn verantwoordelijk geworden voor het gehele proces van het definiëren van de doelgroep tot het maken van afspraken over de resultaten met de vroegschoolse educatie.

Naar aanleiding van de motie Van Haersma Buma is in 2011 besloten om vier jaar (2011-2015) gericht extra te investeren in de kwaliteit van VVE in de grotere gemeenten, de zogenaamde G37. In deze 37 gemeenten woont circa de helft van alle kinderen met een (risico) op een taalachterstand. Met deze gericht impuls was het mogelijk een forse verbetering van de kwaliteit van de voorschoolse educatie te realiseren, zodat de kansen van deze kinderen op een goede schoolloopbaan en maatschappelijke carrière werden vergroot. Doel was het uitbreiden van het aanbod VVE, zomerscholen, schakelklassen, het verhogen van de kwaliteit van de pedagogisch medewerkers, het stimuleren van opbrengstgericht werken en het versterken van de ouderbetrokkenheid. De ambities van de G37 liggen hiermee hoger dan voor andere gemeenten. In de vorm van bestuursafspraken zijn de resultaten vastgelegd, die deze gemeenten in vier jaar met de extra middelen dienden te bereiken.

Niet-G37
Uit onderzoek van Cebeon blijkt dat ook in de niet-G37, sinds de bestandsopname van de Onderwijsinspectie, een stap voorwaarts is gemaakt in de kwaliteit van het gemeentelijk beleid. Niet alle gemeenten hebben echter de gemeentelijke taken op orde.

G37
De midterm review van de Onderwijsinspectie laat zien dat de kwaliteit van het gemeentelijk beleid en het locatiebeleid in de G37 is verbeterd sinds de bestandsopname. De belangrijkste resultaten per wettelijke taak zijn:

→ Alle gemeenten hebben een doelgroepdefinitie.

→ Bijna 86 procent van de gemeenten heeft voldoende zicht op het aanbod voorschoolse educatie en op de mate waarin hun doelgroep er gebruik van maakt. Bij vijf gemeenten is nog verbetering mogelijk.

→ In vrijwel alle gemeenten (97 procent) zijn hierover afspraken gemaakt. Slechts één gemeente heeft de toeleiding niet op orde.

→ De basis voor een doorgaande lijn is in alle G37 gemeenten aanwezig, alle gemeenten hebben afspraken gemaakt over de overdracht van kindgegevens. Slechts twee gemeenten hebben nog geen afspraken over warme overdracht.

→ In zeventig procent van de gemeenten zijn er resultaatafspraken gemaakt, in elf gemeenten is nog verbetering nodig.

Toezicht
Sinds de inwerktreding van de wet OKE in 2010 wordt toezicht gehouden op VVE. In 2010 zijn specifieke basisvoorwaarden voor de kwaliteit van voorschoolse educatie wettelijk vastgelegd, zoals de groepsgrootte, het aantal uren per week, en de opleidingseisen van het personeel. Deze wettelijke kwaliteitseisen worden door GGD GHOR Nederland beoordeeld. Naast deze randvoorwaarden is de uitvoering van VVE bepalend voor de effectiviteit van VVE. De inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van de voorschoolse educatie, daarvoor is het VVE-toezichtkader ontwikkeld. De inspectie heeft naast het gemeentelijk beleid, de kwaliteit van VVE op alle peuterspeelzalen en kinderdagverblijven met gesubsidieerde VVE in kaart gebracht in de periode 2007-2012.

Na deze bestandsopname is er overgegaan op signaalgestuurd toezicht. Een signaal kan onder andere afkomstig zijn van de GGD-inspectie of van de gemeente. Het kan ook gaan om een nieuwe VVE-locatie of een herbeoordeling van een locatie. De inspectie ontvangt tot op heden weinig signalen en is hierover in overleg met GGD GHOR Nederland. Momenteel wordt gezamenlijk bekeken op welke wijze het signaalgestuurde toezicht verbeterd kan worden en hoe het toezicht van de GGD-inspectie en de Inspectie van het Onderwijs goed op elkaar afgestemd kan worden. Daarbij is het toezicht op de educatieve kwaliteit één van de onderwerpen.

Meer informatie:

Wet OKE

De wet OKE (Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie) wijzigt drie wetten. Ten eerste, wordt in de Wet Kinderopvang een kwaliteitskader voor peuterspeelzalen opgenomen evenals het toezicht van de gemeente daarop met de bijbehorende handhaving mogelijkheden. Verder worden in deze wet kwaliteitseisen voor voorschoolse educatie opgenomen. Ten tweede, wordt in de Wet op het onderwijstoezicht geregeld dat de Inspectie van [...]

Lees meer